Opkomende onrust

Er zat welgeteld een minuut tussen. Om 11.46 uur mailde Dominic Wilson van Goldman Sachs me vandaag een rapport getiteld ‘What happens in EM (mostly) stays in EM’. Alberto Gallo van RBS kwam daar om 11.47 uur achteraan met een rapport met dezelfde titel. Nou vooruit, Gallo had ‘(mostly)’ weggelaten. Maar toch vraag je je dan direct af of Rupert Sheldrake toevallig net in de ‘mood’ was om een morfogenetisch veld op te hangen.

De vraag is dus of de plotselinge onrust op de Emerging Markets (opkomende landen) zou kunnen overslaan naar de ontwikkelde wereld. Duidelijk is in ieder geval dat beleggers zich zorgen maken. Niet voor niks is de fut er op de beurs in Amsterdam uit, net als elders in Europa en ook op Wall Street.

Compensatie

De analisten maken zich echter geen zorgen. De effectieve vraag in de opkomende economieën moet wel heel hard inzakken wil het via het handelskanaal in de ontwikkelde landen impact hebben. En in dat geval zouden lagere prijzen voor olie en andere grondstoffen voor voldoende compensatie zorgen, schrijft Wilson. Als er al besmetting plaatsvindt dan zou dat via de banken moeten verlopen, maar die exposure is toch ook weer niet zo heel groot.

Wilson vermoedt dat de recente, wat tegenvallende cijfers over de Amerikaanse economie belangrijker zijn geweest voor de adempauze op de beurs dan de turbulentie op de opkomende landen. Dat laatste is slechts het ‘coördinatiemechanisme’ geweest voor beleggers die toch al wat onzeker waren geworden over de jongste beursrally.  Wilson:

‘Maar uiteindelijk zijn het toch gewoon de ontwikkelingen in de ontwikkelde wereld die de vooruitzichten voor de ontwikkelde wereld bepalen.’

Ook Gallo van RBS denkt er zo over. Hij kijkt daarbij vooral naar de Europese periferie. Het idee is namelijk dat het meest wankele deel van de ontwikkelde landen het meest te lijden heeft van de opkomende onrust. Vooral Spanje en Portugal zouden hun enige economische motor – die van de export – kunnen verliezen als ze hun handel met Latijns-Amerika inzakt. Maar Gallo wijst erop dat het belang van deze regio voor de twee Iberische landen toch echt in het niet valt bij de afzetmarkten in Europa.

Momentum

Gallo gaat er juist van uit dat de twee landen er eerder een tweede motor onder de economie bij krijgen dan dat ze er een verliezen. Hij ziet duidelijk de investeringen aantrekken nu de arbeidskosten fors omlaag zijn gekomen. Nu is het nog slechts een kwestie van tijd voordat ook de arbeidsmarkt weer op gang komt.

Dit herstel zal er volgens Gallo toe leiden dat internationale beleggers weer oog krijgen voor de Europese periferie. Al die partijen die hun buik vol hebben van de opkomende landen zullen hun geld graag in Spanje, Portugal en ook in bijvoorbeeld Italië aan het werk willen zetten. Juist in deze landen bieden de relatief hoge rentes kansen. Hierdoor kunnen de leentarieven in de periferie verder dalen en dat geeft het herstel wellicht vaart. Een lagere olieprijs is dan nog een extra bonus.

Waarom is de Nederlandse economie…

Toevallig stuitte ik zojuist op een prachtig verhaal op de website van The Atlantic: “Google Autocomplete Wants to Know Why Post-Communist Europe Is So Poor“. De auteur had voor alle Europese landen op Google de vraag ‘Why is [naam land] so’ ingetikt. De zoekmachine vult dan zelf de vraag alvast aan, op basis van de vragen die de gebruikers van de website al eerder hebben ingevuld.

Het resultaat prikkelt de fantasie. Bij Nederland komt er dus ‘liberal’ uit. Kennelijk is dat wat de internetgemeenschap van ons land denkt en waarvan het op internet bevestiging zoekt. Van Frankrijk vraagt iedereen zich af waarom het land homofiel is, Tsjechië atheïstisch is en Italië racistisch. Het verhaal focust vervolgens op Oost-Europa, dat nog altijd als arm wordt gezien, en op Venezuela.
Image

Je kunt natuurlijk zelf ook aan de slag en dat heb ik even gedaan. Voor een aantal landen heb ik de vraag gesteld waarom de economie …?
Image

Kennelijk vragen mensen zich onder meer af waarom dat kleine landje aan de Noordzee zo belangrijk is. Stel je de vraag in het Nederlands dan vult Google haar meteen aan met de Rotterdamse haven:
Image

Terug naar het Engels is de vraag voor Duitsland niet zo opmerkelijk
Image

Voor de VS is de rol van de overheid kennelijk belangrijk:
Image

De huidige problemen in Turkije zijn nog niet echt doorgedrongen tot het grote publiek:
Image

En tenslotte heeft de economische inzinking in China ook nog niet echt het grote publiek bereikt. Wel is er een grappige link met Australië:
Image

Mijn suggestie: ga er zelf eens mee aan de slag.

Een beetje meer aandacht voor de import graag

Intuïtief voelt het goed: export. Kennelijk maken we zulke mooie producten dat iedereen in het buitenland ze graag aanschaft, denk je trots als bijvoorbeeld DNB weer een recordoverschot op de handelsbalans meldt. Tegelijkertijd ‘weet’ je dat de grote tekorten die de perifere eurolanden in de aanloop naar de crisis boekten slecht waren. Al die Spanjaarden, Italianen en natuurlijk vooral de Grieken leefden er met geleend geld maar een beetje op los en riepen daarmee uiteindelijk zelf de ellende over zich af.

Laat ze maar op de blaren zitten, klonk het dan ook. Geen zuur verdiend belastinggeld naar de bodemloze putten in de periferie. Ik word dan altijd een beetje recalcitrant door me luidkeels af te vragen wie er eigenlijk schuldig is als een bankier een bijstandsmoeder maar geld blijft geven om spulletjes van te kopen. De bankier of de moeder? Allebei lijkt me.

Nieuw gezichtspunt

Maar over die morele kant van de Europese schuldencrisis wil ik het nu eigenlijk niet hebben. Wel over im- en export. Het idee is dat als de periferie maar alle pijlen richt op de verkoop van producten over de grens hun tekorten wel slinken. Omarm het Duitse (en Nederlandse) model.

Maar dat is toch echt te simpel gedacht. In economenland wordt er langzaam maar zeker steeds meer op een andere manier naar handel gekeken. Het gaat niet meer om de exportprestaties van een land, waarbij dan gekeken wordt naar de totale waarde van de export, maar om toeleveringsketens.

Collega Jule Hinrichs schreef hier onlangs op basis van een ECB-studie enkele stukken over in het FD.

‘Het karakter van de wereldhandel is zo ingrijpend veranderd, dat deze klassieke methode niet meer voldoet. In de wereldhandel zijn de intermediaire leveringen, hulpgoederen in de fabricage zoals grondstoffen, halffabricaten en componenten, dermate dominant geworden dat het voor een redelijk beeld van een exportprestatie noodzakelijk is de waarde van die leveringen van de totale exportwaarde af te trekken.’

Het is een wat complexe aangelegenheid, als je wilt weten wat bijvoorbeeld Nederlandse bedrijven aan waarde toevoegen en waar die dan uiteindelijk neerslaat. Een auto-onderdeel dat in Brabant wordt gemaakt, gaat misschien wel naar Duitsland, maar wordt uiteindelijk misschien wel in de VS pas gebruikt. Jule schreef:

‘Was in 1995 de waarde van de totale Nederlandse export gelijk aan 58% van het bruto binnenlands product, in 2011 was dat al 71%. Volgens de gekende berekening een fraaie toeneming. Maar de toegevoegde waarde in de export nam helemaal niet toe. Die bleef in die periode steeds schommelen tussen de 34% en 38%. Het belang van de export voor de economie van Nederland is dus in feite al lange tijd constant. Voor een open economie als de Nederlandse is dat een heel matige prestatie, omdat in die periode de wereldhandel een explosieve groei kende. Nederland heeft van die groei dus niet goed weten te profiteren.’

Ook de economen van HSBC kijken tegenwoordig met een andere blik naar handel, zo schreef de Wall Street Journal gisteren. Hun punt is dat veel bedrijven onvoldoende kijken naar de mogelijkheid om hun toevoer in het buitenland te betrekken.

‘The simplification of ‘exports good, imports bad’ is not helping small and medium-sized enterprises think about what they can be doing to improve their export competitiveness.

Intelligent importing—the conventional thing would be component parts, that you then add value to through design, manufacture and branding, and then export—is actually a critical way to improve our exports and close the trade deficit.’

Volgens het principe van het comparatieve voordeel moet je je als bedrijf richten op waar je goed in bent, stellen de economen van HSBC. En laat gespecialiseerde bedrijven, die vaak in andere landen hun thuisbasis hebben, je de componenten leveren die je nodig hebt. Voor een Europees bedrijf loont het bijvoorbeeld nu de moeite om die toeleverancier buiten de eurozone te zoeken. Zo kan het profiteren van de sterke euro.

Topsectoren en Duitsland

Deze visie zet het hele Nederlandse topsectorenbeleid, waarbij ingezet wordt op technologische vernieuwing in een paar sectoren, in een heel ander daglicht. Is dat nu wel zo’n goed idee? Uit onderzoek van Henk Volberda, hoogleraar Strategisch Management en Ondernemingsbeleid aan de Erasmus Universiteit, blijkt bijvoorbeeld van niet.

Tegelijkertijd kantelt het de hele discussie over het Duitse handelssurplus. De consequent volgehouden loonmatiging in Duitsland zou ervoor zorgen dat het land goedkope producten kan maken en afzetten in het buitenland. Zelf importeert het land onvoldoende en daarom is Duitsland geen motor voor de wereldeconomie, maar eerder een rem.

Als echter naar toeleveringsketens wordt gekeken, blijkt natuurlijk dat Duitsland heel veel importeert en die componenten weer elders in bewerkte vorm afzet. Kennelijk doen ze dat erg goed daar. Dat laat natuurlijk wel onverlet dat Duitsland op een geaggregeerd niveau meer spaart dan investeert. Voor Berlijn betekent dit dus dat ze die binnenlandse investeringen moet zien op te voeren door geld in bijvoorbeeld scholing of infrastructuur te steken.

“Thank you Professor!”

In de krant van afgelopen zaterdag hebben collega Marijn Jongsma en ik uitgepakt met Ben Bernanke. Eind deze week geeft hij de voorzittershamer van de Federal Reserve over aan Janet Yellen en dat was voor ons een mooi moment om eens de balans op te maken van bijna zes jaar kwantitatieve verruiming (QE).

We hebben een flink aantal mensen, hoogleraren, vermogensbeheerders en analisten gevraagd wat ze van Ben vinden. Zondag, een dag te laat, kreeg ik nog een mooie reactie binnen van Joachim Fels, hoofdeconoom van Morgan Stanley.

Ook Fels stelt dat het te vroeg is om al te bepalen wat Bernanke’s nalatenschap is. De consequenties van het massaal opkopen van leningen en de exit van het beleid kunnen nog niet worden ingeschat. Fels:

‘One thing is already clear though: Ben Bernanke, the scholar of the 1930s Great Depression, will find a prominent place in future history books as the man who, through decisive and aggressive action in 2008-9, ensured that the dark 1930s episode didn’t repeat itself.

I’m not so sure, however, whether the books will also mention that, as a Fed governor from 2002-5, Bernanke helped to pump up the credit and housing bubble with excessively loose monetary policy and popularized the notion of the “Great Moderation” of the business cycle only a few years before the Financial Crisis and the Great Recession hit.

But again, the outgoing Chairman deserves all the praise for preventing financial meltdown, depression and deflation that he will receive from his colleagues and the media this coming week. Thank you Professor!’

Omzet is geen toegevoegde waarde

Mijn post van gisteren zou lezers de indruk kunnen geven dat ik diep van binnen een antiglobalist ben. Wel, niets is minder waar. Ik vond het gewoon aardig om te laten zien hoe groot de grootste multinationals wel niet zijn, daarbij voor het gemak even voorbijgaand aan het punt dat bruto binnenlands product en omzet natuurlijk appels met per vergelijken is.

Eerlijk gezegd wist ik niet dat de gepresenteerde ranglijst al lang enthousiast door antiglobalisten wordt gebruikt om hun punt te maken. En ook niet dat Paul de Grauwe, hoogleraar aan de London School of Economics, daar samen met een zekere Filip Camerman veertien jaar geleden al een prachtig commentaar op heeft geschreven: How big are the big multinational companies?

Toegevoegde waarde

Allereerst stellen de twee Belgische economen dat het bbp van een land de som is van de waarde die iedere producent toevoegt en niet de som van de verkopen van deze producenten. In dat laatste geval krijg je namelijk heel veel dubbeltellingen. Dus een vergelijking van het bbp van landen met de omzet  van bedrijven gaat dan ook mank. Ook bij bedrijven moet je kijken naar de waarde die ze toevoegen en niet naar de waarde die zij plus al hun toeleveranciers toevoegen.

Op basis van cijfers uit 2000 berekenen De Grauwe en Camerman dat de waarde die de multinationals toevoegen een kleine 25% van de omzet is. Hiervan uitgaande dalen de bedrijven dus fors op de ranglijst. Op die van de twee Belgen staat de grootste, Walmart, op plaats 44. Daarmee blijft het concern overigens nog wel landen als Pakistan,Tsjechië en Nieuw-Zeeland voor.

Het zou mooi zijn als het staatje van De Grauwe en Camerman ook voor 2013 beschikbaar zou zijn. Dan weten we meteen of de bedrijven ‘machtiger’ zijn geworden. Zelf vergeleken ze hun lijst met de situatie in 1980 en daaruit kwam naar voren dat de bedrijven juist wat terrein hadden verloren op de landen. Mijn stelling dat multinationals in de afgelopen jaren machtiger zijn geworden, moet ik voorlopig maar even inslikken, denk ik. Wel vermoed ik dat deze bedrijven toch echt handiger zijn geworden in het ontwijken van belasting.

Arbeid vs. kapitaal

Dit alles staat natuurlijk los van de constatering dat  het ‘grootkapitaal’ zich langzaam maar zeker een groter stuk van de koek toe-eigent. Dat blijkt bijvoorbeeld uit gegevens van de Oeso. Volgens deze Parijse denktank weet de factor arbeid tegenwoordig 62% van alle inkomens in de wereld naar zich toe te trekken. Begin jaren negentig was dat nog 66%. De productiviteitswinst die er geboekt wordt, komt dus steeds meer terecht bij de eigenaren van kapitaal.

Op basis van de Oeso-cijfers publiceerde The Economist eind vorig jaar deze grafiek:

Afbeelding

Alleen de allerrijksten weten meer inkomen binnen te halen, wat de achteruitgang van de rest nog groter maakt. Zo is de daling van in de VS tussen begin jaren negentig en medio 2000 twee keer zo groot, ongeveer 4,5 procentpunt, als de top 1% uit de cijfers wordt gefilterd.

De ongelijkheid neemt wereldwijd toe. Hoe dit alles voor Nederland uitpakt, weet ik niet. Zou er graag wat cijfers over zien.

Op de ranglijst van grootste economieën staat Shell op 29

Nu we de crisis langzaam maar zeker te boven lijken te komen, kunnen we geleidelijk ook weer naar de kwaliteit van de economische groei kijken, en niet langer slechts naar de kwantiteit. Ook op het World Economic Forum in Davos is dat bredere perspectief naar voren gekomen.

Zo zette ngo Oxfam maandag de toon met een rapport over de economische ongelijkheid in de wereld. Die neemt nog steeds toe. Zo bezitten de 85 rijkste mensen ter wereld evenveel vermogen als de 3,5 miljard armsten, of zowat de helft van de wereldbevolking.  Ook een boeiend inzicht is dat de top 1% in de VS inmiddels 22% van het in Amerika verdiende geld naar zich toe harkt. In 1975 was dat maar 9%.

Het probleem is, en nu gaan we even op de marxistische toer, dat het bedrijfsleven erin geslaagd is zijn hand te leggen op een steeds groter deel van de koek. Terwijl de arbeider al blij mag zijn met een loonstijging van 2% nominaal, veelal nauwelijks genoeg om de inflatie bij te houden, komt de productiviteitswinst in de zakken van de kapitalisten, de aandeelhouders, topmanagers en verschaffers van vreemd vermogen, terecht.

Een van de redenen waarom dit lukt is, denk ik, omdat multinationals handig de belastingen kunnen omzeilen. De winsten blijven binnen de concerns in plaats dat ze door overheden afgeroomd worden om ze te herverdelen over de bevolking. Het is duidelijk dat de balans tussen crediteuren, debiteuren en de staat niet meer in evenwicht is, schreef ik eerder al.

Dat de groeiende macht van de multinationals zich aardig laat illustreren, bewijst Transnational Institute. Deze denktank publiceerde naar aanleiding van Davos ‘State of Power 2014 Exposing the Davos Class‘. Het rapport zit boordevol interessante staatjes. De mooiste vond ik onderstaande.

Wat blijkt: slechts 26 landen produceren meer dan het grootste bedrijf in de wereld aan omzet boekt, Walmart. Onze ‘nationale trots’ Royal Dutch Shell staat op 29, op de voet gevolgd door ExxonMobil. De werknemers van deze laatste twee bedrijven weten veruit de meeste waarde toe te voegen: zo’n $5,4 mln per persoon. Vergelijk dat eens met het bbp per capita van landen. Nederlanders komen gemiddeld op $45.998, wat bij elkaar optelt tot $773 mrd, goed voor de 18e plaats in de ranglijst. Shell zit daar met een omzet van $467 mrd niet zo heel ver onder.

Image

Met dank aan Robert Went  (@went1955)
Lees vooral ook het vervolg: Omzet is geen toegevoegde waarde

 

Zelfgenoegzaamheid gaat Duitsland opbreken

Een econoom om in de gaten te houden is Marcel Fratzscher van de economische denktank DIW in Berlijn. Ik moest aan hem denken toen ik een filmpje zag van Reuters’ Breaking Views op You Tube. Daarin wordt verteld dat de Duitse kapitaalinvesteringen in een alarmerend tempo dalen. En dat hierdoor de verdienkracht van de Duitse economie op de langere termijn onder druk komt.

ImageHet is een thema dat Fratzscher al lang onder de aandacht probeert te brengen. De Duitse investeringsquote behoort volgens hem tot de laagste in de wereld. Alleen al om het gemiddelde van het eurogebied te bereiken, zou elk jaar een extra investering van circa 3% van het bbp nodig zijn.

Op de website van DIW schreef Fratzscher:

‘De Duitse economie staat er lang niet zo goed voor als velen nu denken. Sinds 1999 heeft Duitsland onvoldoende geïnvesteerd en zo aanzienlijke groeimogelijkheden gemist. Daarmee is de concurrentiekracht en de toekomst van Duitsland als vestigingsplaats in gevaar gebracht.’

Trots

Om de Duitsers wakker te schudden noemt Fratzscher ze graag zelfgenoegzaam. Weliswaar is er reden om trots te zijn op het feit dat geen enkel ander land zo goed de crisis heeft doorstaan, zegt hij maar wie naar de ontwikkeling sinds de introductie van de euro kijkt, is er volgens de econoom veel minder reden tot vreugde. De economie groeide minder sterk dan het Europese gemiddelde, de reële lonen zijn vandaag nauwelijks hoger dan in 1999, terwijl de staatsschuld fors is opgelopen.

Duitsland valt Europees gezien vooral op met zijn hoge gemiddelde spaarquote van momenteel bijna 24% van het bbp. Deze besparingen werden echter niet zozeer geïnvesteerd in de binnenlandse economie, maar zijn voor een substantieel deel naar het buitenland gevloeid in de vorm van investeringen en in de vorm van beleggingen.

Het levert niks op

Het probleem is, is dat dit de Duitsers weinig oplevert. Zo becijferde  Fratzscher dat de Duitse beleggingen sinds 1999 ongeveer €400 mrd verlies hebben opgeleverd. Over de buitenlandse investeringen heb ik hem niet veel horen zeggen, maar uit onderzoek van de universiteit van München blijkt dat het merendeel is neergeslagen in Centraal-Europa. Door de inschakeling van de goedkope, goed opgeleide bevolking in landen als Tsjechië, Polen en Slowakije hoefden de Duitse bedrijven niet tegen elkaar op te bieden om goed personeel te werven. Zo bleven de Duitse lonen laag.

Het grote verschil tussen de besparingen en de investeringen correspondeert met een evenzo groot overschot op de Duitse lopende rekening. Duitsland exporteert te veel en importeert te weinig, is dan ook de kritiek die Duitsland voortdurend van z’n handelspartners te horen krijgt. Fratzscher kan zich daar wel in vinden, wat van de man ook weer een atypische Duitser maakt. Buiten Duitsland snappen ze er niets van, zeggen de meeste Duitsers immers.

Collega Oene van der Wal had eind vorig jaar een interview met Fratzscher. Die zei toen onder andere:

‘Duitsers moeten meer investeren en hun geld anders inzetten. Er is dringend meer geld nodig voor onderwijs en infrastructuur. Duitsers sparen enorm veel. Dat heeft alleen zin als je voor je opzij gelegde euro meer terugkrijgt. DIW-onderzoeken laten zien dat Duitse banken, beleggers en particulieren de laatste twintig jaar steeds meer geld in het buitenland hebben belegd. Dat heeft echter geen winst opgeleverd, maar € 400 mrd verlies sinds 1999.’

O ja, hier nog even het filmpje van Reuters: