De Chinese groeimotor sputtert. Hoe erg is dat eigenlijk?

Niet, want China is helemaal geen motor voor de wereldeconomie

De tijden van dubbelcijferige groei in China lijken definitief voorbij. Elk kwartaal valt de groei telkens weer wat lager uit en schroeft Peking de verwachtingen weer wat terug. Eerder deze week bleek dat de Chinese overheid nu voor 2015 op een plus van 7% rekent, keurig in lijn met de gemiddelde analistenverwachting.

Arbeiders in het zuiden van China werken aan een nieuwe olipijplijnVan ‘booms’ en ‘busts’, wat echt heel normaal is voor een industrialiserend land dat zich snel ontwikkelt, hebben ze in China nooit last. Geen wonder dat veel waarnemers de Chinese cijfers altijd met een korreltje zout nemen.

Zo schreef collega Joost Dobber recent op gezag van professor Christopher Baldwin van de Peking University dat de werkelijke groei in China zeker 3%-punt lager ligt. Aangezien het telkens 21 van de 22 Chinese provincies lukt om over iedere verslagperiode een bovengemiddelde groei te boeken, ben ik geneigd Baldwin wel te geloven.

Transitie

Hoe dan ook, het idee is dat Peking druk bezig is een transitie tot stand te brengen en dat dit een wissel trekt op de groei. China is aangekomen op het punt dat het moet omschakelen van een op krediet gebaseerde exportgeoriënteerde economie naar een duurzame consumptiegedreven economie. De geschiedenis leert evenwel dat het ontzettend moeilijk is om die transformatie zonder schade tot stand te brengen. Sterker, elk land dat het geprobeerd heeft — Japan, Sovjet-Unie, Zuid-Korea, Thailand — is in een flinke recessie weggegleden.

Als de Chinese economie inderdaad een harde landing maakt, is het de vraag wat dit betekent. Allereerst maken politieke analisten zich zorgen over instabiliteit in China zelf. Tenslotte is het land een eenpartijstaat die geen democratische legitimiteit heeft en die vermoedelijk vooral wordt getolereerd door het volk zo lang de welvaart er stijgt. De vraag is dan ook wat er gebeurt als bijvoorbeeld de werkloosheid er fors stijgt.

Lehman-achtig

Economen zijn ondertussen vooral bezorgd over de kredietbubbel die er in China is geblazen. Een harde landing zal onvermijdelijk een financiële crisis teweegbrengen, die vervolgens wereldwijd zal resoneren. Aangezien China al zo enorm groot is en op allerlei manieren, via handels- en financiële kanalen – met de wereld verbonden, kan zo’n crisis wel eens heel snel tot nieuwe, Lehman-achtige taferelen leiden.

Maar, stel nu eens dat het China lukt om al die rampspoed te vermijden en gewoon rustig doorgroeit, zij het in een gematigd tempo van bijvoorbeeld 1% à 3%. Zou dat dan niet ook al rampzalig zijn voor de mondiale economie? Tenslotte geldt China al jaren als dé groeimotor van de wereld. Een derde tot de helft van de groei van het wereldwijde bbp wordt verzorgd door China, krijg ik altijd van het IMF te horen.

Michael Pettis, professor aan de universiteit van Peking, schrijft in een bijdrage aan de website van de denktank Carnegie Endowment:

“If you multiply China’s GDP growth by its share of global GDP, you will find that Chinese growth over the last few years has comprised a larger share of global GDP growth than that of any other country.”

Maar, zo benadrukt Pettis, dit betekent nog niet dat China een groeimotor is. Een echte motor jaagt de groei in de rest van de wereld aan. Als een economie ten koste van andere economieën groeit, dan is ze veeleer een parasiet.

Indiase textiel

Neem de situatie in India in de 18de en begin 19de eeuw, stelt Pettis. Dat land produceerde veel meer textiel dan Groot-Brittannië en ook nog eens veel goedkoper en van hogere kwaliteit. De Britten blokkeerden de Indiase import met allerlei torenhoge heffingen en subsidieerden de Britse industrie. Vervolgens werd die laatste zo efficiënt dat de Britten iedere concurrent wegvaagden. Groot-Brittannië ontwikkelde zich tot ’s werelds grootste economie en verzorgde ook het grootste deel van het mondiale bbp. Maar dit ging wel ten koste van India.

Anders gesteld. Als een economie meer produceert dan dat het consumeert, dan moet het verschil in het buitenland afgezet worden. Een land teert dan op de vraag in het buitenland. Vaak zit hier een bewuste politiek achter, een consequent volgehouden lagelonenbeleid die de concurrentie in het buitenland de nek om draait. China, Duitsland en Nederland zijn hier voorbeelden van.

Pettis stelt prikkelend:

“For this reason I would argue that countries that are absorbing excess savings – i.e. running current account deficits – are generating growth abroad while countries that are exporting excess savings – i.e. running current account surpluses – are weakening growth abroad. China, in other words, is not the world’s growth engine.”

michael pettisMaar er zit ook een andere kant aan de relatie tussen overschot- en tekortlanden, stelt Pettis vervolgens. Als een land een overschot (op de lopende rekening) heeft, dan heeft het tegelijkertijd een even zo groot tekort (op de kapitaalrekening). Er is dan dus een uitstroom van geld. Er wordt meer gespaard dan geïnvesteerd en de excessieve besparingen verdwijnen dan naar het buitenland.

Dat hadden de Britten dus in de 19de eeuw. Veel van dat geld sloeg destijds neer in de VS, een jong land dat een onstilbare behoefte had aan financiële middelen om het Amerikaanse continent te kunnen ontwikkelen. Zelf hadden de Amerikanen een bijzonder zwak financieel systeem en dus waren ze maar wat blij met het Britse geld. Sterker, volgens Pettis werd de ontwikkeling van de VS in de 19de eeuw volledig bepaalt door die Britse geldkraan. Als Londen die opendraaide, groeiden de VS harder. Ging de kraan dicht, dan verschrompelde de groei. Zo geredeneerd was Groot-Brittannië, ondanks het feit dat ze een overschotland was, toch een motor onder de mondiale groei.

Centraal Europa

Waar het dus om gaat is de vraag wat er met de excessieve besparingen gebeurt. Worden ze in tekortlanden geconsumeerd of juist gebruikt om te investeren. Wel, het is duidelijk dat de tekortlanden in Zuid-Europa het geld (uit Duitsland en Nederland) niet al te productief hebben ingezet voor de kredietcrisis losbarstte, terwijl de lokale industrie er door ‘ons’ redelijk kapot werd gemaakt. Daarentegen werd het Duitse geld in Centraal Europa wel productief aan het werk gezet. Daar werden de landen nadrukkelijk in de Duitse productieketens geïntegreerd.

China drukte op zijn beurt alle concurrenten van goedkope producten weg, terwijl het Chinese geld vooral weinig productief in de Amerikaanse en Europese financiële markten werd gestoken. Dat hielp geweldig met het opblazen van al die bubbels die tijdens de kredietcrisis knapten.

Kortom, als de Chinese groei inzakt, is dat dus niet zo’n probleem voor de wereldeconomie – even afgezien van het politieke en financiële risico dan.

2 gedachten over “De Chinese groeimotor sputtert. Hoe erg is dat eigenlijk?

  1. Pingback: Wat zeggen de Franse herstelbetalingen in 1871-1873 over de Europese schuldencrisis? | Marcel de Boer

  2. Pingback: Amerikanen zijn terecht boos op Duitsland | Marcel de Boer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s